Bijen

De superfamilie van de bijen (Apoidea) zijn insecten die behoren tot de orde van de vliesvleugeligen (Hymenoptera). Ze zijn vooral bekend om de honing die de honingbij maakt en verschillen van de meeste andere (vleesetende) vliesvleugeligen door het dieet van nectar en stuifmeel. Ook de larven leven hiervan. Biologisch gezien vormen de bijen echter géén aparte groep. Alle soorten behoren tot de superfamilie Apoidea, waartoe ook alle graafwespen behoren.

Honingbijen leven in volken maar er zijn ook vele solitaire soorten bekend. Tegenwoordig zijn er circa 20.000 bijensoorten beschreven, hoewel het eigenlijke aantal waarschijnlijk hoger ligt. Bijen komen voor op ieder continent, met uitzondering van Antarctica, in alle ecosystemen waarin tweezaadlobbige planten groeien. Men onderscheidt onder andere eusociale bijen en solitaire bijen. Hommels behoren ook tot de bijen, ze kunnen beschouwd worden als bijen met een langere beharing, waardoor ze in koelere streken kunnen overleven.

Bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van vele planten en hebben daarom indirect een rol van ongeveer dertig procent in de keten van al het menselijk voedsel. In Australië en Nieuw-Zeeland wordt de rol bij de bestuiving overgenomen door andere dieren zoals vogels, vliegen of vleermuizen.

Door mensen worden honingbijen gehouden (apicultuur) voor de productie van honing. Bijen kunnen last krijgen van parasieten. Bij honingbijen is een besmetting met de varroamijt (acariose) berucht. Onverklaarde bijensterfte wordt sinds het begin van de eenentwintigste eeuw gezien als een serieuze bedreiging voor het milieu.

Economische waarde van bijen

Veel landbouwgewassen hebben bestuivers nodig. Dit geldt voor fruit, zoals appels, kersen, aardbeien en bessen, maar ook voor groenten als courgette, tomaat en tuinboon. Ook koolzaad, een gewas dat vooral voor de olie geteelt wordt, is afhankelijk van bestuiving door insecten.

De mate waarin de landbouw afhankelijk is van bestuivers kan op verschillende manieren uitgedrukt worden. Wereldwijd worden 87 van de 115 belangrijkste landbouwgewassen door dieren (grotendeels insecten) bestoven, een percentage van 76%. Uitgedrukt in geproduceerd gewicht blijkt insectenbestuiving verantwoordelijk voor een kleiner aandeel van de gewasproductie: 'slechts' 35%. Wanneer alleen voedselgewassen worden meegeteld (dus koolzaad bijvoorbeeld niet) dan is ongeveer de helft van de circa 100 belangrijke gewassen in belangrijke mate afhankelijk van bestuiving door dieren. Afwezigheid van bestuivers zou een afname in landbouwproductie veroorzaken van 3-8% en dat dit zal leiden tot een grotere behoefte aan landbouwgrond.

De economische waarde van bestuiving is wereldwijd geschat op 153 miljard Euro per jaar,